Wat ik mij afvraag. Waarom spreken we nog van de evolutietheorie? Het is lang en breed bewezen dat dit een feit is. Er zijn mensen die dit niet (willen) geloven, maar laten we er voor het gemak vanuit gaan dat het zo is. Ondanks dat het een feit is, spreken we nog steeds over een theorie. Waarom is dit toch? Is het niet makkelijker en duidelijker om gewoon evolutie te zeggen?
En als we dan toch evolutietheorie zeggen, waarom hebben we het dan niet over de Jezustheorie? Of de Bijbeltheorie? Of de Allahtheorie? Want in feite (bij voorbaat mijn verontschuldigingen als ik iemand hiermee tegen de haren in strijk) is dit minder wetenschappelijk bewezen dan de evolutie.
Ik zal het voortaan dan ook hebben over de evolutie, theorie gaat bij mij de prullenmand in.
dinsdag
Mijn eerste botsing
Dinsdag, een uurtje of zes. Met mijn blinkende bolide halen we nog snel wat boodschapjes. Mijn mooie schat glijdt over het wegdek alsof het speciaal voor haar gemaakt is. Met haar glimmende gelaat en ronde vormen trekt ze heel wat bekijks. Ja, ik ben blij met mijn Micra genaamd Miss Daisy Pooh Lullaby.
We naderen de Dammenlaan. De laan waar ik mijn eerste boete heb gekregen. Nog steeds schiet dit door mijn hoofd, elke keer als ik die verdomde laan oprij. Maar goed, niet aan denken. Gewoon dit keer niet te hard rijden en genieten van de ronkende motor en het gemak waarmee je van punt A naar punt B rijdt.
Het is nogal druk op de Dammenlaan; na een paar meter gereden te hebben, staan we weer stil om vervolgens weer een paar meter te kunnen rijden. Dan moet ik snel remmen; ineens staat de rij voor me stil. Ik druk op de rem, probeer Miss Daisy in bedwang te houden, maar het mag niet meer baten. Ik zit achterop de groene Peugeot voor me. Keihard en welgemeend zeg ik: ‘Kut kut godverdomme kut godverdomme! Kut kut kut kut……Godverdomme! (Nee, ik ben geen lid van de Stichting Anti-Vloeken). Martin maant me rustig. ‘Niets aan de hand, gewoon die man volgen. Rustig blijven, niets aan de hand.’ Ik laat nog een paar keer Kut en Godverdomme de vrije loop, er komt nog een Tering tussendoor en rij vervolgens de heer achterna.
We stoppen op de eerste parkeerplaats die we tegenkomen. Nog voor ik de motor uit heb, stapt Martin uit de auto naar de man toe. Een tikkeltje onzeker volg ik hem; ik heb absoluut geen idee wat ik moet doen. Bij de heer valt de schade mee, ook is hij gelukkig heel vriendelijk. Hij heeft een paar krasjes op zijn bumper, maar verder is er niets aan de hand.
Mijn auto aan ziet er minder uit, allebei dr koplampjes zijn kapot en de motorkap is ingedeukt. Gelukkig is er niets met de motor aan de hand en is het enkel blikschade. Zelfs de koplampen doen het nog. Hoewel de schade niet groot is, baal ik flink. Mijn lieve, schattige, trouwe autootje heeft schade en dat gaat me niet in de koude kleren zitten. Ik verman mezelf, wetende dat dit te herstellen is.
Een ding is zeker: ik ga in het vervolg met een grote boog om de Dammenlaan heen. Deze laan heeft het niet goed voor met mij en mijn bolide. Want op deze laan heb ik en mijn eerste boete, en mijn eerste botsing gekregen
We naderen de Dammenlaan. De laan waar ik mijn eerste boete heb gekregen. Nog steeds schiet dit door mijn hoofd, elke keer als ik die verdomde laan oprij. Maar goed, niet aan denken. Gewoon dit keer niet te hard rijden en genieten van de ronkende motor en het gemak waarmee je van punt A naar punt B rijdt.
Het is nogal druk op de Dammenlaan; na een paar meter gereden te hebben, staan we weer stil om vervolgens weer een paar meter te kunnen rijden. Dan moet ik snel remmen; ineens staat de rij voor me stil. Ik druk op de rem, probeer Miss Daisy in bedwang te houden, maar het mag niet meer baten. Ik zit achterop de groene Peugeot voor me. Keihard en welgemeend zeg ik: ‘Kut kut godverdomme kut godverdomme! Kut kut kut kut……Godverdomme! (Nee, ik ben geen lid van de Stichting Anti-Vloeken). Martin maant me rustig. ‘Niets aan de hand, gewoon die man volgen. Rustig blijven, niets aan de hand.’ Ik laat nog een paar keer Kut en Godverdomme de vrije loop, er komt nog een Tering tussendoor en rij vervolgens de heer achterna.
We stoppen op de eerste parkeerplaats die we tegenkomen. Nog voor ik de motor uit heb, stapt Martin uit de auto naar de man toe. Een tikkeltje onzeker volg ik hem; ik heb absoluut geen idee wat ik moet doen. Bij de heer valt de schade mee, ook is hij gelukkig heel vriendelijk. Hij heeft een paar krasjes op zijn bumper, maar verder is er niets aan de hand.
Mijn auto aan ziet er minder uit, allebei dr koplampjes zijn kapot en de motorkap is ingedeukt. Gelukkig is er niets met de motor aan de hand en is het enkel blikschade. Zelfs de koplampen doen het nog. Hoewel de schade niet groot is, baal ik flink. Mijn lieve, schattige, trouwe autootje heeft schade en dat gaat me niet in de koude kleren zitten. Ik verman mezelf, wetende dat dit te herstellen is.
Een ding is zeker: ik ga in het vervolg met een grote boog om de Dammenlaan heen. Deze laan heeft het niet goed voor met mij en mijn bolide. Want op deze laan heb ik en mijn eerste boete, en mijn eerste botsing gekregen
Naar de viswinkel
Sommige opmerkingen maak je niet. Sommige opmerkingen denk je niet eens. Sinds dit weekend heb ik hier meer dan genoeg ervaring mee.
Enkele dagen geleden kreeg ik verband om mijn duim. Niets ernstigs, maar het valt wel op. Zo valt het ook de heer van het notenkraampje op waar ik zaterdag met een vriendin naartoe ga.
Terwijl we de kraam naderen zie ik de man naar mijn hand kijken. Voordat ik iets kan zeggen, maakt hij de opmerking: ‘Wat nou, meid, heb je je verkeerd gevingerd?’
Beduusd kijk ik hem aan. Zei hij dat nou echt? Ik twijfel, maar aan de reactie van mijn vriendin en de medewerksters van het kraampje te zien heb ik het toch echt niet verkeerd verstaan. Deze man maakt een grappig bedoelde opmerking die wel heel verkeerd valt. Want ik, mijn vriendin, noch de collega’s van de heer kunnen erom lachen.
Ik schaam me voor de opmerking terwijl ik niet de persoon ben die een dergelijke domme fout heeft gemaakt. Want dit zeg je niet tegen een meid die je niet kent, zeker niet als tien jaar oudere mannelijke verkoper zijnde. Onbeschoft is het enige woord dat mij te binnen schiet. En ongelooflijk dat iemand denkt dat hij zoiets tegen mij kan zeggen. Niet te filmen!
We halen de nootjes bij een andere medewerkster van het kraampje en vervolgen onze route door de stad. Een ding is voor mij zeker: hier kom ik nooit meer.
Enkele dagen geleden kreeg ik verband om mijn duim. Niets ernstigs, maar het valt wel op. Zo valt het ook de heer van het notenkraampje op waar ik zaterdag met een vriendin naartoe ga.
Terwijl we de kraam naderen zie ik de man naar mijn hand kijken. Voordat ik iets kan zeggen, maakt hij de opmerking: ‘Wat nou, meid, heb je je verkeerd gevingerd?’
Beduusd kijk ik hem aan. Zei hij dat nou echt? Ik twijfel, maar aan de reactie van mijn vriendin en de medewerksters van het kraampje te zien heb ik het toch echt niet verkeerd verstaan. Deze man maakt een grappig bedoelde opmerking die wel heel verkeerd valt. Want ik, mijn vriendin, noch de collega’s van de heer kunnen erom lachen.
Ik schaam me voor de opmerking terwijl ik niet de persoon ben die een dergelijke domme fout heeft gemaakt. Want dit zeg je niet tegen een meid die je niet kent, zeker niet als tien jaar oudere mannelijke verkoper zijnde. Onbeschoft is het enige woord dat mij te binnen schiet. En ongelooflijk dat iemand denkt dat hij zoiets tegen mij kan zeggen. Niet te filmen!
We halen de nootjes bij een andere medewerkster van het kraampje en vervolgen onze route door de stad. Een ding is voor mij zeker: hier kom ik nooit meer.
Je hebt van die mensen (lees=mannen)
Sommige opmerkingen maak je niet. Sommige opmerkingen denk je niet eens. Sinds dit weekend heb ik hier meer dan genoeg ervaring mee.
Enkele dagen geleden kreeg ik verband om mijn duim. Niets ernstigs, maar het valt wel op. Zo valt het ook de heer van het notenkraampje op waar ik zaterdag met een vriendin naartoe ga.
Terwijl we de kraam naderen zie ik de man naar mijn hand kijken. Voordat ik iets kan zeggen, maakt hij de opmerking: ‘Wat nou, meid, heb je je verkeerd gevingerd?’
Beduusd kijk ik hem aan. Zei hij dat nou echt? Ik twijfel, maar aan de reactie van mijn vriendin en de medewerksters van het kraampje te zien heb ik het toch echt niet verkeerd verstaan. Deze man maakt een grappig bedoelde opmerking die wel heel verkeerd valt. Want ik, mijn vriendin, noch de collega’s van de heer kunnen erom lachen.
Ik schaam me voor de opmerking terwijl ik niet de persoon ben die een dergelijke domme fout heeft gemaakt. Want dit zeg je niet tegen een meid die je niet kent, zeker niet als tien jaar oudere mannelijke verkoper zijnde. Onbeschoft is het enige woord dat mij te binnen schiet. En ongelooflijk dat iemand denkt dat hij zoiets tegen mij kan zeggen.
Niet te filmen! We halen de nootjes bij een andere medewerkster van het kraampje en vervolgen onze route door de stad. Een ding is voor mij zeker: hier kom ik nooit meer.
Naar de viswinkel
Voor alles moet een eerste keer zijn. Zo ook mijn bezoek aan de viswinkel. Voor ik vervolg zal ik wat uitleggen. Vis vind ik te vies voor woorden. Zeker als ze in de vitrine liggen. Vissen met de ogen er nog in, opgestapeld alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, de ranzige geur die het voortbrengt. Nee, vis is niets voor mij. Ik had dan ook nooit gedacht vrijwillig een viswinkel in te gaan, tot vandaag.
Pepijn heeft last van zijn oogjes en ik heb weleens gehoord dat vis goed voor de ogen is. Aangezien 1 + 1 twee is, besloot ik een visje voor hem te halen. Dus vol goede moed de viswinkel in. De geur komt me voor binnenkomst al tegemoet. Smerig. Dat is volgens mij ook het gezicht dat ik trek als ik met gezonde tegenzin binnenstap. Een beetje uit mijn hum sta ik bij de vitrine. Ik snap niet dat mensen zin hebben in een visje als ze al die dieren zien liggen. Bij mij gaat de eetlust juist weg. Godzijdank bestel ik niet voor mezelf, dat scheelt een hoop. Ik zie zalmsnippers liggen. Het ziet er niet meer uit als vis (wat ik een groot voordeel vind) en dus is het misschien geschikt voor Pepijntje. Ik vraag of het zout is, ze antwoordt dat ik wel een stukje mag proeven. Alleen de gedachte al… mag ik bedanken? Nog voordat ze een stukje kan pakken weiger ik vriendelijk en leg uit dat het voor mij kat is. Ze zegt dat ik dan beter haring kan nemen, dat halen meer mensen voor hun dieren.
Prima, dan maar haring. Ze pakt er een en legt hem op een bordje. Ik vraag of ze hem misschien ook in stukjes kan snijden, dan hoef ik het niet te doen(lees: hoef ik het niet aan te raken). Ze antwoordt instemmend en al snel heeft ze het harinkje versneden. Ik betaal en vlucht de winkel uit. Bah, wat een vieze bedoening.
Waar ik, het eeuwige blondje, geen rekening mee heb gehouden is dat het in de auto moet… Nog voordat ik goed en wel weg ben, meurt de auto naar de haring die goed ingepakt op de achterbank ligt. Straks maar even de auto goed schoonmaken denk ik bij mezelf. Nu niet zeuren, het is maar even en Pepijn zal het lekker vinden. Denk ik.
Ik kom helaas van een koude kermis thuis: Pepijn is helemaal niet gek op haring. Hij loopt netjes mee naar binnen, nieuwsgierig naar hetgeen wat die aparte geur voortbrengt. Ik pak het uit en leg de haring met bord en al op de grond. Pepijn ruikt eraan, eet een paar stukjes en gaat dan snel naar buiten.
En daar zit je dan met je goede gedrag. Achter de pc met links van mij, op de grond, een bord met een bijna complete haring. Al die moeite voor een visje en meneer haalt zijn neus ervoor op. Terwijl hij lekker in het zonnetje zit te genieten, bedenk ik me wat ik met dat ding moet. Het kan niet in de prullenbak want dan meurt het hele huis ernaar. Zelf opeten is ook geen optie. Ik besluit het nog even te laten liggen. Misschien krijgt Pepijn er straks nog zin in. Ik hoop het want anders zit ik met dit opgescheept. Een ding is zeker: Laura gaat geen visje meer halen voor die kleine deugniet!
Pepijn heeft last van zijn oogjes en ik heb weleens gehoord dat vis goed voor de ogen is. Aangezien 1 + 1 twee is, besloot ik een visje voor hem te halen. Dus vol goede moed de viswinkel in. De geur komt me voor binnenkomst al tegemoet. Smerig. Dat is volgens mij ook het gezicht dat ik trek als ik met gezonde tegenzin binnenstap. Een beetje uit mijn hum sta ik bij de vitrine. Ik snap niet dat mensen zin hebben in een visje als ze al die dieren zien liggen. Bij mij gaat de eetlust juist weg. Godzijdank bestel ik niet voor mezelf, dat scheelt een hoop. Ik zie zalmsnippers liggen. Het ziet er niet meer uit als vis (wat ik een groot voordeel vind) en dus is het misschien geschikt voor Pepijntje. Ik vraag of het zout is, ze antwoordt dat ik wel een stukje mag proeven. Alleen de gedachte al… mag ik bedanken? Nog voordat ze een stukje kan pakken weiger ik vriendelijk en leg uit dat het voor mij kat is. Ze zegt dat ik dan beter haring kan nemen, dat halen meer mensen voor hun dieren.
Prima, dan maar haring. Ze pakt er een en legt hem op een bordje. Ik vraag of ze hem misschien ook in stukjes kan snijden, dan hoef ik het niet te doen(lees: hoef ik het niet aan te raken). Ze antwoordt instemmend en al snel heeft ze het harinkje versneden. Ik betaal en vlucht de winkel uit. Bah, wat een vieze bedoening.
Waar ik, het eeuwige blondje, geen rekening mee heb gehouden is dat het in de auto moet… Nog voordat ik goed en wel weg ben, meurt de auto naar de haring die goed ingepakt op de achterbank ligt. Straks maar even de auto goed schoonmaken denk ik bij mezelf. Nu niet zeuren, het is maar even en Pepijn zal het lekker vinden. Denk ik.
Ik kom helaas van een koude kermis thuis: Pepijn is helemaal niet gek op haring. Hij loopt netjes mee naar binnen, nieuwsgierig naar hetgeen wat die aparte geur voortbrengt. Ik pak het uit en leg de haring met bord en al op de grond. Pepijn ruikt eraan, eet een paar stukjes en gaat dan snel naar buiten.
En daar zit je dan met je goede gedrag. Achter de pc met links van mij, op de grond, een bord met een bijna complete haring. Al die moeite voor een visje en meneer haalt zijn neus ervoor op. Terwijl hij lekker in het zonnetje zit te genieten, bedenk ik me wat ik met dat ding moet. Het kan niet in de prullenbak want dan meurt het hele huis ernaar. Zelf opeten is ook geen optie. Ik besluit het nog even te laten liggen. Misschien krijgt Pepijn er straks nog zin in. Ik hoop het want anders zit ik met dit opgescheept. Een ding is zeker: Laura gaat geen visje meer halen voor die kleine deugniet!
Pepijntje is een beetje ziekjes
Pepijntje had al een paar dagen last van zijn ogen, dus besloot ik gisteren om naar de dierenarts te gaan. Een hels karwei, aangezien Pepijn er altijd helemaal gestrest vandaan komt. Zo ook deze keer. In de auto begint het al: het enorm zielige kattengejank. Ik praat wat tegen hem, zet een rustige radiozender op, maar niets helpt. Pepijn voelt zich niet lekker en dat zal ik als vrouwtje zijnde merken ook. Het gejank houdt niet op tot het moment dat hij op tafel bij de dierenarts zit. Dan is het ineens een heel klein, fragiel propje.
De dierenarts kijkt naar zijn oogjes, allebei zijn ze ontstoken. Mijn eerste vraag: kan dit de niesziekte zijn? Het antwoord: dat is mogelijk, maar voor de rest ziet hij er piekfijn uit, dus ik zal er niet meteen vanuit gaan. Het is vast een hevige ontsteking die overgaat als ik een week lang dagelijks een zalfje in zijn oogjes smeer. Pepijn wordt gewogen en even goed onderzocht. De dierenarts zegt nogmaals dat het een hele gezonde kat is. Als verzorgster glunder ik van top tot teen.
Pepijntje is minder blij. Hij zweet en drukt zich helemaal tegen mij aan. Vertederend, aangezien hij zich comfortabel voelt bij mij, maar ook enorm zielig. Ik ben het niet gewend hem zo te zien. En zo wil ik hem ook niet zien. Voordat we samen weer naar huis gaan, stel ik nog enkele vragen. Mag hij naar buiten toe? Waar moet ik op letten om te zien of het slechter gaat? Hoelang mag hij nog last van zijn oogjes hebben? De dierenarts beantwoordt mijn bezorgde vragen netjes en stopt ondertussen Pepijn terug in zijn mandje. Ik kan me voorstellen dat hij hier heel blij mee is; terug naar huis!
Thuis aangekomen eet meneertje twee bakjes vlees om vervolgens onder het bed te kruipen. Ik besluit hem even alleen te laten en ga wat boodschapjes doen. Ik kom thuis met een bakje rosbief voor hem. Hij komt onder het bed vandaan en kruipt meteen tegen me aan. De lieve schat is helemaal niet boos dat ik hem naar de dierenarts heb gebracht, iets dat ik niet verwacht had. Hij krijgt wat rosbief en besluit dan dat het tijd is om naar buiten te gaan. Wat hij niet weet is dat ik nog de zalf in zijn oogjes moet smeren. Als hij hierachter komt is hij op zijn zachtst gezegd niet blij. Probeert zich uit mijn armen te wringen en houdt zijn oogjes stijf dicht. Begrijpelijk, maar niet handig. Gelukkig is niet alleen hij een doorzetter en lukt het me uiteindelijk wat zalf in zijn oogjes te krijgen.
Hij is maar even buiten om de rest van de avond en nacht lekker binnen te zijn. ik ben blij de volgende dag vrij te zijn zodat ik hem de hele dag in de gaten kan houden. De plannen worden omgegooid: niet weg op woensdag, maar lekker thuis bij Pepijntje. Want hoewel hij goed eet, drinkt, zichzelf wast en ook nog eens naar buiten gaat, ben ik toch bezorgd. Je weet nooit hoe het loopt en of de zalf helpt. Je moet niet meteen van het ergste uitgaan, maar je mag er wel rekening mee houden. Ik merk ook dat Pepijn niet zichzelf is. Logisch ook, het is niet leuk last van je ogen te hebben. Zelf heb ik ook wel ontstoken ogen gehad en als het een goede ontsteking is, voel je je er goed ziek van. Dat zal Pepijn ook hebben.
Ik probeer te doen wat ik kan. Geef hem zijn rust en ruimte, maar ga ook geregeld naar hem toe. Hij krijgt zijn normale voedsel, maar ook vers vlees om op kracht te komen. Het zal allemaal wel meevallen, maar ik zie Pepijn veel liever lekker gezond andere katten de stuipen op het lijf jagen. Hopelijk kan dat over een paar dagen weer. Ondertussen wordt deze kleine lieveling lekker verwend en verzorgd.
De dierenarts kijkt naar zijn oogjes, allebei zijn ze ontstoken. Mijn eerste vraag: kan dit de niesziekte zijn? Het antwoord: dat is mogelijk, maar voor de rest ziet hij er piekfijn uit, dus ik zal er niet meteen vanuit gaan. Het is vast een hevige ontsteking die overgaat als ik een week lang dagelijks een zalfje in zijn oogjes smeer. Pepijn wordt gewogen en even goed onderzocht. De dierenarts zegt nogmaals dat het een hele gezonde kat is. Als verzorgster glunder ik van top tot teen.
Pepijntje is minder blij. Hij zweet en drukt zich helemaal tegen mij aan. Vertederend, aangezien hij zich comfortabel voelt bij mij, maar ook enorm zielig. Ik ben het niet gewend hem zo te zien. En zo wil ik hem ook niet zien. Voordat we samen weer naar huis gaan, stel ik nog enkele vragen. Mag hij naar buiten toe? Waar moet ik op letten om te zien of het slechter gaat? Hoelang mag hij nog last van zijn oogjes hebben? De dierenarts beantwoordt mijn bezorgde vragen netjes en stopt ondertussen Pepijn terug in zijn mandje. Ik kan me voorstellen dat hij hier heel blij mee is; terug naar huis!
Thuis aangekomen eet meneertje twee bakjes vlees om vervolgens onder het bed te kruipen. Ik besluit hem even alleen te laten en ga wat boodschapjes doen. Ik kom thuis met een bakje rosbief voor hem. Hij komt onder het bed vandaan en kruipt meteen tegen me aan. De lieve schat is helemaal niet boos dat ik hem naar de dierenarts heb gebracht, iets dat ik niet verwacht had. Hij krijgt wat rosbief en besluit dan dat het tijd is om naar buiten te gaan. Wat hij niet weet is dat ik nog de zalf in zijn oogjes moet smeren. Als hij hierachter komt is hij op zijn zachtst gezegd niet blij. Probeert zich uit mijn armen te wringen en houdt zijn oogjes stijf dicht. Begrijpelijk, maar niet handig. Gelukkig is niet alleen hij een doorzetter en lukt het me uiteindelijk wat zalf in zijn oogjes te krijgen.
Hij is maar even buiten om de rest van de avond en nacht lekker binnen te zijn. ik ben blij de volgende dag vrij te zijn zodat ik hem de hele dag in de gaten kan houden. De plannen worden omgegooid: niet weg op woensdag, maar lekker thuis bij Pepijntje. Want hoewel hij goed eet, drinkt, zichzelf wast en ook nog eens naar buiten gaat, ben ik toch bezorgd. Je weet nooit hoe het loopt en of de zalf helpt. Je moet niet meteen van het ergste uitgaan, maar je mag er wel rekening mee houden. Ik merk ook dat Pepijn niet zichzelf is. Logisch ook, het is niet leuk last van je ogen te hebben. Zelf heb ik ook wel ontstoken ogen gehad en als het een goede ontsteking is, voel je je er goed ziek van. Dat zal Pepijn ook hebben.
Ik probeer te doen wat ik kan. Geef hem zijn rust en ruimte, maar ga ook geregeld naar hem toe. Hij krijgt zijn normale voedsel, maar ook vers vlees om op kracht te komen. Het zal allemaal wel meevallen, maar ik zie Pepijn veel liever lekker gezond andere katten de stuipen op het lijf jagen. Hopelijk kan dat over een paar dagen weer. Ondertussen wordt deze kleine lieveling lekker verwend en verzorgd.
Abonneren op:
Posts (Atom)
