Ik hou van de Nederlandse taal. Voor woorden als 'desalniettemin' en 'vergetelheid' kun je me spreekwoordelijk gezegd ’s nachts wakker maken. Ik heb er ook respect voor. Woorden hebben een ontwikkeling doorgemaakt, onze voorouders hebben uit het niets een taal bedacht die wij tot op heden nog steeds gebruiken. Het is ons gezamenlijk erfgoed waar ik trots op ben. Helaas lijkt het er meer en meer op dat ik de enige ben die hier zo over denkt.
Inmiddels alweer twee jaar geleden kwam het programma ‘Pimp my ride’ op de Nederlandse televisie. Een uit Amerika, waar anders, overgewaaide serie waarin oude krotten van auto’s werden getuned, bespoten en als nieuw werden geretourneerd aan de eigenaar. De auto was zoals gezegd gepimpt. Leuk, dacht ik, en origineel, een nieuwe naam bedenken ten behoeve van een programma. Het is toch creatief van die mensen.
Tot ik een tijd later een aantal Nederlandse jongeren het woord pimpen in de mond hoorde nemen, vervolgens het bij een Nederlands programma zag en in de krant las. Het woord pimpen werd omarmd door de Nederlandse samenleving. Door de Nederlandse samenleving, maar niet door mij. Want er zijn zoveel mooie Nederlandse woorden voor het woord pimpen. Neem nu alleen al opfleuren of opfrissen. Woorden die precies zeggen wat het is en waarbij iedereen weet wat er wordt bedoeld. Bovendien Nederlandse woorden en zodoende mijn voorkeur hebbende.
Maar niet enkel uit het buitenland overgewaaide woorden irriteren mij, ook nieuw bedachte woorden krijgen bij mij geen kans. Neem nu het woord breezerslet. Meisjes die voor een drankje seksuele handelingen verrichten. Niet enkel een vieze gedachte, maar ook een ranzig woord. Een woord dat je nu uit vele monden hoort komen, bij mensen van uiteenlopende leeftijden. En hoewel het in het jaarboek van ‘De Dikke’ is beland, komt dit woord niet in mijn woordenboek. Breezer is een merk, geen woord, om maar niet te spreken van ‘slet’.
Nu wil ik niet zeggen dat we meteen allemaal dure en oude woorden moeten gebruiken, ik vraag enkel om normaal Nederlands, ons gezamenlijke erfgoed. Een gift van onze voorouders. Iets waar we dankbaar voor mogen zijn. Dus laat ik nu een oproep doen aan iedereen die dit leest: haal het woord pimpen en breezerslet uit je lange-termijngeheugen en laten we met zijn allen weer lekker vernederlandsen.
woensdag 25 februari 2009
donderdag 19 februari 2009
De vrouw: het sterke geslacht
Mannen zijn viezeriken. Stuk voor stuk en geen enkele uitgesloten. Nu ben ik niet het type dat één bevolkingsgroep over een kam scheert, maar hier kan zelfs ik niet omheen: volgens mij kan je nog beter een hondje dan een vriendje nemen. Een hondje kan je tenminste zo opvoeden dat ze niet meer tegen je been aanrijden, mannen zijn niet op te voeden.
Zo zag ik laatst een filmpje van een aangeschoten heer die met zijn leuter in een grill van een auto zat te porren. Ongegeneerd, bijna trots, zat hij tegen de grote SUV aan te humpen. Ik vergeet er bijna bij te vermelden dat het overdag was, in een drukke winkelstraat. Meneer kreeg zodoende genoeg bekijks. Niet dat dit hem stoorde, integendeel. Het maakte hem alleen meer enthousiast en opgewonden, hetgeen te merken was aan zijn seksuele bewegingen. Natuurlijk ben ik wel zo hypocriet om het filmpje helemaal uit te kijken, maar ondertussen denk ik er het mijne van.
In de krant stond een bericht van een man uit Australië dat zichzelf bevredigde in zijn auto. Politieagenten merkten hem op en verzochten hem vriendelijk doch dringend uit de auto te stappen. De viezerik ging ongestoord door. Nee, als een man eenmaal bezig is, is er geen stoppen meer aan. Hij dropte zijn witte goedje in een pastapot en opende toen pas de deur. In de auto vond de politie een zelfgemaakt seksspeeltje, wat pornoblaadjes en een Jack Russel. Het arme hondje, ongewild getuige van een misselijkmakende actie van zijn baasje.
Nu moet ik natuurlijk niet het heilige boontje uithangen. Vies van seksuele handelingen ben ik namelijk niet. Maar geen haar aan mijn hoofd die eraan denkt mezelf in het openbaar te gaan betasten, mannen na te fluiten of te behandelen als een stuk ‘vlees’. Respect voor jezelf en de ander is het belangrijkste. En toch merk ik bij veel mannen dat dit zogenaamde respect wat te wensen overlaat. Ook ik word wel op straat nageloeit door vieze mannetjes. Ook ik word wel eens met de ogen uitgekleed en om eerlijk te zijn word ik er onpasselijk van. Een beetje respect, mensen. Wat er in dat koppie omgaat is veel belangrijker dan hoe het koppie eruit ziet.
Nu gebruiken mannen als excuus dat ´ze jagers zijn´. Maar de mannen die ik ken, werken gewoon op kantoor en halen hun vlees net als ieder ander bij de slager of supermarkt. En ik betwijfel dat mannen jagers zijn. Er is vast wel een onderzoek naar gedaan (door een man natuurlijk) waar dit uit bleek en toch durf ik het te weerleggen. Want als je in het wild kijkt, zijn mannen toch luier dan ze zelf denken. Neem nu de prachtige leeuw. Bij de leeuwen jagen de vrouwen. Bij de leeuwen zorgen de vrouwen voor de kinderen en geven ze de mannen te eten. Het enige dat de mannen doen zijn kinderen verwekken, luieren en het vlees eten dat de vrouw met veel bloed, zweet en tranen heeft gevangen.
En als mannen jagers zijn, waarom hebben zij dan een lagere pijngrens dan vrouwen? Je zou toch zeggen dat jagers meer te verduren hebben dan mensen die veilig thuis blijven om voor de kinderen te zorgen? Hier heeft men een verklaring voor: een vrouw heeft een hogere pijngrens omdat het lichaam ervoor gemaakt is om er een kind uit te werpen. Nu ben ik zelf gelukkig nooit bevallen, maar ik hoor van vrouwen dat het autje pijn doet... pijn die niet meer van belang is als het kind geboren is (ik geloof er geen snars van, maar dit terzijde). Pijn die mannen nooit kunnen doorstaan. De inspanning bij een bevalling is groot. Terwijl de man met een witbleek gezicht werkeloos aan de zijkant van het bed staat, doet de vrouw al het werk. Ik herhaal: doet de vrouw al het werk. We hebben toch meer gemeen met leeuwen dan we zelf zouden denken.
Net als bij leeuwen baren de vrouwen, zorgen ze dat er eten in huis is en worden de kinderen verzorgd. Hiernaast werken ze en hebben ze ook nog een sociaal leven. Ik kan me niet voorstellen dat een man ertoe in staat is dit alles te bewerkstelligen. De man heeft er geeneens tijd voor. Hij is te druk met het scouten naar dames of het aandacht schenken aan de zogenaamde genotsknots. Alsof dit allemaal nog niet genoeg is, moeten ze ook nog kletsen met andere mannen over de laatste veroveringen of de nieuwste editie van de Playboy. Tuurlijk, dit doen wij vrouwen ook, maar dan efficiënter. Want vrouwen kunnen twee dingen tegelijk. We strijken een overhemd terwijl we luisteren naar het vunzige verhaal van een vriendin en koken terwijl we een lachen over de grootte van zijn geslachtsdeel.
Nee, ik ben blij dat ik een dame ben. Hoewel iedere man me hierover zal tegenspreken, zijn wij toch duidelijk het sterkere en zelfverzekerde geslacht. Want ik heb nooit een vrouw horen opscheppen over haar schaamlippen, noch heb ik een verhaal gelezen over een vrouw dat zich in het openbaar bevredigd. Nee, deze excessen zijn enkel bedoeld voor mannen. Laten wij er als dames maar om lachen en de enige conclusie trekken die hierover te trekken valt: ze weten simpelweg niet beter!
Zo zag ik laatst een filmpje van een aangeschoten heer die met zijn leuter in een grill van een auto zat te porren. Ongegeneerd, bijna trots, zat hij tegen de grote SUV aan te humpen. Ik vergeet er bijna bij te vermelden dat het overdag was, in een drukke winkelstraat. Meneer kreeg zodoende genoeg bekijks. Niet dat dit hem stoorde, integendeel. Het maakte hem alleen meer enthousiast en opgewonden, hetgeen te merken was aan zijn seksuele bewegingen. Natuurlijk ben ik wel zo hypocriet om het filmpje helemaal uit te kijken, maar ondertussen denk ik er het mijne van.
In de krant stond een bericht van een man uit Australië dat zichzelf bevredigde in zijn auto. Politieagenten merkten hem op en verzochten hem vriendelijk doch dringend uit de auto te stappen. De viezerik ging ongestoord door. Nee, als een man eenmaal bezig is, is er geen stoppen meer aan. Hij dropte zijn witte goedje in een pastapot en opende toen pas de deur. In de auto vond de politie een zelfgemaakt seksspeeltje, wat pornoblaadjes en een Jack Russel. Het arme hondje, ongewild getuige van een misselijkmakende actie van zijn baasje.
Nu moet ik natuurlijk niet het heilige boontje uithangen. Vies van seksuele handelingen ben ik namelijk niet. Maar geen haar aan mijn hoofd die eraan denkt mezelf in het openbaar te gaan betasten, mannen na te fluiten of te behandelen als een stuk ‘vlees’. Respect voor jezelf en de ander is het belangrijkste. En toch merk ik bij veel mannen dat dit zogenaamde respect wat te wensen overlaat. Ook ik word wel op straat nageloeit door vieze mannetjes. Ook ik word wel eens met de ogen uitgekleed en om eerlijk te zijn word ik er onpasselijk van. Een beetje respect, mensen. Wat er in dat koppie omgaat is veel belangrijker dan hoe het koppie eruit ziet.
Nu gebruiken mannen als excuus dat ´ze jagers zijn´. Maar de mannen die ik ken, werken gewoon op kantoor en halen hun vlees net als ieder ander bij de slager of supermarkt. En ik betwijfel dat mannen jagers zijn. Er is vast wel een onderzoek naar gedaan (door een man natuurlijk) waar dit uit bleek en toch durf ik het te weerleggen. Want als je in het wild kijkt, zijn mannen toch luier dan ze zelf denken. Neem nu de prachtige leeuw. Bij de leeuwen jagen de vrouwen. Bij de leeuwen zorgen de vrouwen voor de kinderen en geven ze de mannen te eten. Het enige dat de mannen doen zijn kinderen verwekken, luieren en het vlees eten dat de vrouw met veel bloed, zweet en tranen heeft gevangen.
En als mannen jagers zijn, waarom hebben zij dan een lagere pijngrens dan vrouwen? Je zou toch zeggen dat jagers meer te verduren hebben dan mensen die veilig thuis blijven om voor de kinderen te zorgen? Hier heeft men een verklaring voor: een vrouw heeft een hogere pijngrens omdat het lichaam ervoor gemaakt is om er een kind uit te werpen. Nu ben ik zelf gelukkig nooit bevallen, maar ik hoor van vrouwen dat het autje pijn doet... pijn die niet meer van belang is als het kind geboren is (ik geloof er geen snars van, maar dit terzijde). Pijn die mannen nooit kunnen doorstaan. De inspanning bij een bevalling is groot. Terwijl de man met een witbleek gezicht werkeloos aan de zijkant van het bed staat, doet de vrouw al het werk. Ik herhaal: doet de vrouw al het werk. We hebben toch meer gemeen met leeuwen dan we zelf zouden denken.
Net als bij leeuwen baren de vrouwen, zorgen ze dat er eten in huis is en worden de kinderen verzorgd. Hiernaast werken ze en hebben ze ook nog een sociaal leven. Ik kan me niet voorstellen dat een man ertoe in staat is dit alles te bewerkstelligen. De man heeft er geeneens tijd voor. Hij is te druk met het scouten naar dames of het aandacht schenken aan de zogenaamde genotsknots. Alsof dit allemaal nog niet genoeg is, moeten ze ook nog kletsen met andere mannen over de laatste veroveringen of de nieuwste editie van de Playboy. Tuurlijk, dit doen wij vrouwen ook, maar dan efficiënter. Want vrouwen kunnen twee dingen tegelijk. We strijken een overhemd terwijl we luisteren naar het vunzige verhaal van een vriendin en koken terwijl we een lachen over de grootte van zijn geslachtsdeel.
Nee, ik ben blij dat ik een dame ben. Hoewel iedere man me hierover zal tegenspreken, zijn wij toch duidelijk het sterkere en zelfverzekerde geslacht. Want ik heb nooit een vrouw horen opscheppen over haar schaamlippen, noch heb ik een verhaal gelezen over een vrouw dat zich in het openbaar bevredigd. Nee, deze excessen zijn enkel bedoeld voor mannen. Laten wij er als dames maar om lachen en de enige conclusie trekken die hierover te trekken valt: ze weten simpelweg niet beter!
woensdag 29 oktober 2008
De mosquito
Na heel wat middagen mezelf verbijten, irritaties en gezeur is het eindelijk zover; er hangt een mosquito! Dat zal die koters leren, een vervelend geluidje dat de hele dag in de oren blijft steken. Ik loop al de hele dag grijzend rond en vier inwendig mijn victorie: er hangt een mosquito!
Het begon enkele jaren geleden, in een grijs verleden toen Laura nog ‘samenwonend’ was. Toen al hadden we last van jongens en meisjes die voor het huis gingen ‘hangen’. Voordien was ik mij er niet van bewust dat hangjongeren niet enkel bij winkels en eetgelegenheden rondhangen, maar ook tussen flatgebouwen. En al toen zeiden we er iets van, verzochten we vriendelijk doch dringend of ze ergens anders wilden staan, omdat wij last van ze hadden. En toen al ging het moeizaam, ‘we blijven nog een kwartier staan’, ‘maar het regent’ (men stond strategisch onder een afkapje) en andere smoesjes werden met veel genoegen gebruikt. En toen al werd het met periodes stil, zodat je wat milder werd en ze wat langer liet staan. Tot de maat vol was en het hele feest weer van voor af aan begon.
Nu zijn de tijden veranderd. Laura woont heerlijk alleen, genietend van zeeën van ruimte en oceanen van ‘me-time’. Lekker rustig, en toch middenin het centrum van Leeuwarden. Tot, op een dag, de jongelui weer voor het huis staan, terug van weggeweest. Eerst zeg ik er niets van, ze staan er niet lang en als meisje alleen is het toch anders. Maar het gaat van kwaad tot erger. Eerst enkel ’s middags, dan ook ’s avonds, het volume gaat omhoog, er blijft meer rommel liggen. Weer zeg ik er iets van, verzoek ze op een vriendelijke toon te vertrekken, maar een normaal woord van hun kant komt er niet uit. Als een stel grizzlyberen net uit de winterslaap pakken ze hun spullen en sjokken ze weg. Om de volgende dag weer op dezelfde plek, voor mijn huis, te gaan hangen.
Nu is het voor mij op een gegeven moment klaar. Ik ben een lieve en geduldige meid, maar ook ik ken mijn grenzen. En die zijn met deze jongeren zeker bereikt. Voor hen ben ik ‘maar’ een meisje, met een beetje intimidatie denken ze mij wel klein te krijgen. En hier hebben ze het mis. Ik laat mij niet bang maken, zeker niet door een stel snotneuzen. Dus maar weer naar beneden.
‘Ja, betrapt!’ zeg ik op een harde toon. De jongens zeggen niets terug. Tuurlijk niet, dat doen ze nooit. Ze durven pas wat te zeggen op het moment dat ze al wegfietsen, zodat er van een normaal en volwassen gesprek niets terecht kan komen. ‘Dus, jochies, gaan jullie hier even weg?’ Zonder antwoord te geven pakken ze hun spullen, kijken me vanonder de pet chagrijnig aan en stappen ze op de fiets. Terwijl ze wegfietsen hoor ik nog een van de twee ‘muts’ zeggen. De ander vervolgt: ‘Jij moet eens flink in de kont gepakt worden.’ Op dit moment ben ik heel blij dat mijn ouders mij de humor-genen hebben gegeven en roep terug: ’Dat is al een keer geprobeerd en HET HELPT NIET!’. Ik hoor ze helaas niet in lachen uitbarsten, maar grinnik zelf wel terwijl ik het huis inloop. Altijd goed als je om je eigen grapjes kan lachen.
Hoewel dit nog grappig was, besef ik wel dat ze weten waar ik woon, welke auto van mij is en welke kat bij mij hoort. Voor mij zijn de risico’s hierbij veel groter dan voor hen. Ik weet enkel hoe ze eruit zien. Geen naam, geen adres, alleen een paar ogen onder verscholen een pet. Zij lijken zich dit ook te beseffen, want de keer erop roepen ze tijdens het wegfietsen dat ze ‘mijn kat wel even zouden pakken’. En tja, als je over mijn kat begint, heb je mij op de gevoelige plek te pakken. Want hij hoort bij mij, hij is mijn verantwoordelijkheid en die neem ik zeer serieus. Daar blijf je met je poten vanaf. Dus meteen actie ondernemen.
Eerst bel ik de woningbouw, vervolgens Meldpunt Overlast en als laatste de politie. Ik leg de situatie keer op keer uit en ze zijn erg meelevend. Ik zeg dat het geen ramp is, maar dat ik me wel enigzins bedreigd voel. Ik weet dat dit soort dingen gebeuren als je in de binnenstad woont, maar dit loopt de spuigaten uit. En wat mij betreft verdienen deze instanties een lintje! Binnen twee weken hangt er een apparaat dat een irritant geluid voortbrengt waardoor de jongeren er niet meer zullen staan, de mosquito. Het geluid hoor ik van huis uit niet. En de hangjochies zijn er niet meer! Ik geniet weer van de rust en veiligheid in mijn huisje. Ze laten zich misschien niet wegpesten, maar met een stukje techniek lukt het kennelijk wel.
Het begon enkele jaren geleden, in een grijs verleden toen Laura nog ‘samenwonend’ was. Toen al hadden we last van jongens en meisjes die voor het huis gingen ‘hangen’. Voordien was ik mij er niet van bewust dat hangjongeren niet enkel bij winkels en eetgelegenheden rondhangen, maar ook tussen flatgebouwen. En al toen zeiden we er iets van, verzochten we vriendelijk doch dringend of ze ergens anders wilden staan, omdat wij last van ze hadden. En toen al ging het moeizaam, ‘we blijven nog een kwartier staan’, ‘maar het regent’ (men stond strategisch onder een afkapje) en andere smoesjes werden met veel genoegen gebruikt. En toen al werd het met periodes stil, zodat je wat milder werd en ze wat langer liet staan. Tot de maat vol was en het hele feest weer van voor af aan begon.
Nu zijn de tijden veranderd. Laura woont heerlijk alleen, genietend van zeeën van ruimte en oceanen van ‘me-time’. Lekker rustig, en toch middenin het centrum van Leeuwarden. Tot, op een dag, de jongelui weer voor het huis staan, terug van weggeweest. Eerst zeg ik er niets van, ze staan er niet lang en als meisje alleen is het toch anders. Maar het gaat van kwaad tot erger. Eerst enkel ’s middags, dan ook ’s avonds, het volume gaat omhoog, er blijft meer rommel liggen. Weer zeg ik er iets van, verzoek ze op een vriendelijke toon te vertrekken, maar een normaal woord van hun kant komt er niet uit. Als een stel grizzlyberen net uit de winterslaap pakken ze hun spullen en sjokken ze weg. Om de volgende dag weer op dezelfde plek, voor mijn huis, te gaan hangen.
Nu is het voor mij op een gegeven moment klaar. Ik ben een lieve en geduldige meid, maar ook ik ken mijn grenzen. En die zijn met deze jongeren zeker bereikt. Voor hen ben ik ‘maar’ een meisje, met een beetje intimidatie denken ze mij wel klein te krijgen. En hier hebben ze het mis. Ik laat mij niet bang maken, zeker niet door een stel snotneuzen. Dus maar weer naar beneden.
‘Ja, betrapt!’ zeg ik op een harde toon. De jongens zeggen niets terug. Tuurlijk niet, dat doen ze nooit. Ze durven pas wat te zeggen op het moment dat ze al wegfietsen, zodat er van een normaal en volwassen gesprek niets terecht kan komen. ‘Dus, jochies, gaan jullie hier even weg?’ Zonder antwoord te geven pakken ze hun spullen, kijken me vanonder de pet chagrijnig aan en stappen ze op de fiets. Terwijl ze wegfietsen hoor ik nog een van de twee ‘muts’ zeggen. De ander vervolgt: ‘Jij moet eens flink in de kont gepakt worden.’ Op dit moment ben ik heel blij dat mijn ouders mij de humor-genen hebben gegeven en roep terug: ’Dat is al een keer geprobeerd en HET HELPT NIET!’. Ik hoor ze helaas niet in lachen uitbarsten, maar grinnik zelf wel terwijl ik het huis inloop. Altijd goed als je om je eigen grapjes kan lachen.
Hoewel dit nog grappig was, besef ik wel dat ze weten waar ik woon, welke auto van mij is en welke kat bij mij hoort. Voor mij zijn de risico’s hierbij veel groter dan voor hen. Ik weet enkel hoe ze eruit zien. Geen naam, geen adres, alleen een paar ogen onder verscholen een pet. Zij lijken zich dit ook te beseffen, want de keer erop roepen ze tijdens het wegfietsen dat ze ‘mijn kat wel even zouden pakken’. En tja, als je over mijn kat begint, heb je mij op de gevoelige plek te pakken. Want hij hoort bij mij, hij is mijn verantwoordelijkheid en die neem ik zeer serieus. Daar blijf je met je poten vanaf. Dus meteen actie ondernemen.
Eerst bel ik de woningbouw, vervolgens Meldpunt Overlast en als laatste de politie. Ik leg de situatie keer op keer uit en ze zijn erg meelevend. Ik zeg dat het geen ramp is, maar dat ik me wel enigzins bedreigd voel. Ik weet dat dit soort dingen gebeuren als je in de binnenstad woont, maar dit loopt de spuigaten uit. En wat mij betreft verdienen deze instanties een lintje! Binnen twee weken hangt er een apparaat dat een irritant geluid voortbrengt waardoor de jongeren er niet meer zullen staan, de mosquito. Het geluid hoor ik van huis uit niet. En de hangjochies zijn er niet meer! Ik geniet weer van de rust en veiligheid in mijn huisje. Ze laten zich misschien niet wegpesten, maar met een stukje techniek lukt het kennelijk wel.
Labels:
hangjongeren,
jongeren,
mosquito,
overlast
Het Ikea-avontuur
Drie stoelen en een tafel, dat is mijn missie deze tocht. In mijn heerlijke autootje rij ik naar Groningen, op naar het walhalla van woninginrichting: de Ikea. Dankzij de Ikea-website weet ik precies welke stoelen en tafel ik wil en dat er meer dan voldoende voorraad is vandaag. In de stad Groningen blijkt het vinden van de megastore lastig te zijn. Want kaartlezen, hoe vrouwelijk, dat kan ik niet. Geloof me, ik heb het geprobeerd, maar dit pakket blijkt niet in mijn hersens te zijn geprogrammeerd. Dus vertrouwen op mijn kennis. Ik weet dat het dichtbij de grote Rabobank-gebouwen staat, achter het centrum. Na ongeveer een half uur vind ik het Zweedse wereldwijde concern. Ik rij wel een paar keer verkeerd, maar daar hebben we het niet over. Ik heb het gevonden. Ik bereik het immens grote gebouw dat zich Ikea mag noemen, zet mijn dierbare bolide neer en betreed het gebouw vol goede moed.
Het bezoek aan de Ikea en haar vele inrichtingen begint met een draaideur en een trap. Op de eerste verdieping word ik door grote borden, in de welbekende huisstijl van de Ikea, gewezen op de mogelijkheden die ik heb. Wil ik wat te eten of te drinken? Op naar het restaurant of de supermarkt(!). Naar de klantenservice, even toiletteren of meteen naar de surrealistische wereld? Daar moet je wezen. Ik kies voor de laatste optie en passeer de poorten van de uit de kluiten gewassen winkel. Wederom een keuze. De verkorte route rechtstreeks naar het zelfhulpmagazine waar al het koopwaar verpakt is of de uitgebreide route waarbij je alle producten die de Ikea aanbiedt in volle glorie kan aanschouwen? Ik kies voor de laatste. Heb wel zin om even te sneupen. De Ikea is een begrip en als je er bent moet je wel de smaak proeven. En hoewel het perfect verzorgd is en alle huiskamers, slaapkamers en hobbykamers even prachtig zijn, wil ik hier zo snel mogelijk weg. De Ikea is niets voor mij. Dit is te wijten aan twee elementen.
De eerste is de massaliteit van de Ikea. Het is te groot en er staan teveel artikelen. En dan gaat het er niet om dat ik niet kan kiezen, ik weet exact wat ik wil. Het is simpelweg teveel. Naar mijn mening hoort een lange route door een winkel geen drie uur te duren.
Het tweede element zijn de vele mensen die de Ikea-wereld dagelijks rijk is. En 70% van de Ikeabevolking stopt abrupt met lopen als het oog op iets interessants is gevallen. Hiermee bedoel ik niet dat ze naar de zijkant lopen en dan pas stoppen om niemand in de weg te zitten. Nee, ze stoppen middenop het pad en bestuderen het product dat de aandacht getrokken heeft. Ze houden geen rekening met de overige leden van de Ikea-bevolking, met als gevolg dat ik vandaag regelmatig plotsklaps op mijn menselijk ingebouwde rem moet trappen. Ze hebben ergens hun oog op laten vallen en vergeten de wereld om hun heen, het zogenoemde Ikea-effect.
Op weg naar het zelfhulpmagazine raak ik tussen alle interieurs, rijen stoelen, tafels, wegwijsborden en manden met aanbiedingen bijna de weg kwijt. Het kost me even om de Ikea-wijze onder de knie te krijgen, maar volg al snel als een pup die zich aan zijn baas wil bewijzen, getrouw de borden die me naar het magazijn leiden. Bij binnenkomst in de enorme hal weet ik dat ik de stoelen en tafel in geen levensdagen zelf kan vinden. En al zou ik het kunnen, dan zou ik het nog niet willen. Ik heb me lang genoeg in dit pand bevonden. Gelukkig zie ik direct een Ikea-medewerker. Voordat een andere klant hem kan inpikken, stap ik met versnelde pas op hem af. Ik benoem de spullen die ik wil, hij kijkt in de computer en vertelt mij waar het staat. Zo klaar als een klontje. De stoelen staan praktisch recht voor mijn neus (ik besluit er geen aandacht aan te besteden en mij in stilte te schamen) en de tafel staat in gang 26, vak 9. Binnen een kwartier heb ik de spullen op mijn karretje en sta ik bij de kassa. Hier ontdek ik de Ikea Family.
De vraag is of ik hierbij wil horen. Zonder de kans te krijgen om nee te zeggen krijg ik te horen dat dit betekent dat ik dan wel onbeperkt kan ruilen. Ook krijg ik kortingen en talloze andere voordelen als ik mijn entree doe in de familie die over de hele wereld vertegenwoordigd wordt. Ik word meegenomen in de Ikea-illusie. De verkoopster doet het overkomen als een hechte en grote familie en wat ik tot nu toe gezien heb, lijkt dit geheel de waarheid. Mijn fantasie neemt de vrije loop. Krijg ik ook adoptieouders? Een tweede stamboom? Familie in de verste uithoeken van de wereld (uiteraard op bereisbare afstand van de Ikea)? Wat zal kerst dan leuk zijn: met de Ikea-family in het prefabhuis met Ikeaspullen als Ikeastoelen, Ikeabestek en Ikeagordijnen, onder de Ikea-kerstboom Ikea-cadeautjes uitwisselen. Ik besluit het gulle aanbod af te slaan en begeef me naar de uitgang.
Hier veroorzaak ik, als perfect einde van dit Ikea-avontuur, bijna een krantenbericht. Terwijl ik het te grote karretje met een zekere eigenwijze charme naar de lift manouvreer, dartelen een aantal kinderen over het pad. Ze stoppen op de meest onverwachte momenten, waarbij er natuurlijk één recht voor mijn neus belandt. En terwijl ik ternauwernood de kar kan stoppen, staan de ouders op een afstand, bezig met andere dingen. Geen besef van het feit dat hun kind op het nippertje ontsnapt is aan een winkelblessure. Zelfs het kind heeft amper iets in de gaten. Het kijkt op en gaat onverstoorbaar door met datgene waar het mee bezig was. Ik herinner mezelf eraan dat ik de spullen bijna binnen heb en blijf rustig, loods de kar langs de kinderen en ga met de lift naar de parkeerplaats. De auto is snel gevonden. Ik laad de spullen in en voor ik het weet zit ik op de Ring, weg van de Ikea-beleving, richting huis. Daar vindt het laatste deel van de expeditie plaats: het in elkaar zetten van de spullen. Maar dat is een zorg voor later. Nu, met een zekere trots, op naar huis met pasgekochte spulletjes achterin de auto. De laatste dingen van mijn grote verbouwing. Na dagenlang behang verwijderen, schilderen en zwoegen, is het volgende week eindelijk zover. Alles in mijn stulpje zal dan nieuw of veranderd zijn. Dan zal ik dit helse Ikea-avontuur vast wel vergeten zijn. Missie geslaagd!
Het bezoek aan de Ikea en haar vele inrichtingen begint met een draaideur en een trap. Op de eerste verdieping word ik door grote borden, in de welbekende huisstijl van de Ikea, gewezen op de mogelijkheden die ik heb. Wil ik wat te eten of te drinken? Op naar het restaurant of de supermarkt(!). Naar de klantenservice, even toiletteren of meteen naar de surrealistische wereld? Daar moet je wezen. Ik kies voor de laatste optie en passeer de poorten van de uit de kluiten gewassen winkel. Wederom een keuze. De verkorte route rechtstreeks naar het zelfhulpmagazine waar al het koopwaar verpakt is of de uitgebreide route waarbij je alle producten die de Ikea aanbiedt in volle glorie kan aanschouwen? Ik kies voor de laatste. Heb wel zin om even te sneupen. De Ikea is een begrip en als je er bent moet je wel de smaak proeven. En hoewel het perfect verzorgd is en alle huiskamers, slaapkamers en hobbykamers even prachtig zijn, wil ik hier zo snel mogelijk weg. De Ikea is niets voor mij. Dit is te wijten aan twee elementen.
De eerste is de massaliteit van de Ikea. Het is te groot en er staan teveel artikelen. En dan gaat het er niet om dat ik niet kan kiezen, ik weet exact wat ik wil. Het is simpelweg teveel. Naar mijn mening hoort een lange route door een winkel geen drie uur te duren.
Het tweede element zijn de vele mensen die de Ikea-wereld dagelijks rijk is. En 70% van de Ikeabevolking stopt abrupt met lopen als het oog op iets interessants is gevallen. Hiermee bedoel ik niet dat ze naar de zijkant lopen en dan pas stoppen om niemand in de weg te zitten. Nee, ze stoppen middenop het pad en bestuderen het product dat de aandacht getrokken heeft. Ze houden geen rekening met de overige leden van de Ikea-bevolking, met als gevolg dat ik vandaag regelmatig plotsklaps op mijn menselijk ingebouwde rem moet trappen. Ze hebben ergens hun oog op laten vallen en vergeten de wereld om hun heen, het zogenoemde Ikea-effect.
Op weg naar het zelfhulpmagazine raak ik tussen alle interieurs, rijen stoelen, tafels, wegwijsborden en manden met aanbiedingen bijna de weg kwijt. Het kost me even om de Ikea-wijze onder de knie te krijgen, maar volg al snel als een pup die zich aan zijn baas wil bewijzen, getrouw de borden die me naar het magazijn leiden. Bij binnenkomst in de enorme hal weet ik dat ik de stoelen en tafel in geen levensdagen zelf kan vinden. En al zou ik het kunnen, dan zou ik het nog niet willen. Ik heb me lang genoeg in dit pand bevonden. Gelukkig zie ik direct een Ikea-medewerker. Voordat een andere klant hem kan inpikken, stap ik met versnelde pas op hem af. Ik benoem de spullen die ik wil, hij kijkt in de computer en vertelt mij waar het staat. Zo klaar als een klontje. De stoelen staan praktisch recht voor mijn neus (ik besluit er geen aandacht aan te besteden en mij in stilte te schamen) en de tafel staat in gang 26, vak 9. Binnen een kwartier heb ik de spullen op mijn karretje en sta ik bij de kassa. Hier ontdek ik de Ikea Family.
De vraag is of ik hierbij wil horen. Zonder de kans te krijgen om nee te zeggen krijg ik te horen dat dit betekent dat ik dan wel onbeperkt kan ruilen. Ook krijg ik kortingen en talloze andere voordelen als ik mijn entree doe in de familie die over de hele wereld vertegenwoordigd wordt. Ik word meegenomen in de Ikea-illusie. De verkoopster doet het overkomen als een hechte en grote familie en wat ik tot nu toe gezien heb, lijkt dit geheel de waarheid. Mijn fantasie neemt de vrije loop. Krijg ik ook adoptieouders? Een tweede stamboom? Familie in de verste uithoeken van de wereld (uiteraard op bereisbare afstand van de Ikea)? Wat zal kerst dan leuk zijn: met de Ikea-family in het prefabhuis met Ikeaspullen als Ikeastoelen, Ikeabestek en Ikeagordijnen, onder de Ikea-kerstboom Ikea-cadeautjes uitwisselen. Ik besluit het gulle aanbod af te slaan en begeef me naar de uitgang.
Hier veroorzaak ik, als perfect einde van dit Ikea-avontuur, bijna een krantenbericht. Terwijl ik het te grote karretje met een zekere eigenwijze charme naar de lift manouvreer, dartelen een aantal kinderen over het pad. Ze stoppen op de meest onverwachte momenten, waarbij er natuurlijk één recht voor mijn neus belandt. En terwijl ik ternauwernood de kar kan stoppen, staan de ouders op een afstand, bezig met andere dingen. Geen besef van het feit dat hun kind op het nippertje ontsnapt is aan een winkelblessure. Zelfs het kind heeft amper iets in de gaten. Het kijkt op en gaat onverstoorbaar door met datgene waar het mee bezig was. Ik herinner mezelf eraan dat ik de spullen bijna binnen heb en blijf rustig, loods de kar langs de kinderen en ga met de lift naar de parkeerplaats. De auto is snel gevonden. Ik laad de spullen in en voor ik het weet zit ik op de Ring, weg van de Ikea-beleving, richting huis. Daar vindt het laatste deel van de expeditie plaats: het in elkaar zetten van de spullen. Maar dat is een zorg voor later. Nu, met een zekere trots, op naar huis met pasgekochte spulletjes achterin de auto. De laatste dingen van mijn grote verbouwing. Na dagenlang behang verwijderen, schilderen en zwoegen, is het volgende week eindelijk zover. Alles in mijn stulpje zal dan nieuw of veranderd zijn. Dan zal ik dit helse Ikea-avontuur vast wel vergeten zijn. Missie geslaagd!
woensdag 9 juli 2008
Abonneren op:
Berichten (Atom)



